HOOFDSTUK 13 @BRK#De volgende ochtend ging Maddie meteen na het ontbijt weer terug naar de bibliotheek. Ze was er zelfs al eerder dan Uldred. Hij glimlachte toen hij haar enkele minuten later bij de ingang zag wachten. ‘Je bent er vandaag al vroeg bij,’ stelde hij vast. Hij draaide het slot van de grote dubbele deur open en liet haar naar binnen. Maddie ging rechtstreeks naar de planken met de tekeningen en haalde de kokers met Kelder Niveau 1 en Kelder Niveau 2 tevoorschijn. Dat waren de twee kelderverdiepingen onder de burchttoren. Ze had gisteravond in bed nog liggen nadenken hoe ze het verder moest aanpakken, en ze had een plan bedacht. Ze haalde haar pen, inkt en vellen met aantekeningen tevoorschijn. Daarnaast legde ze een schaalmeter, die ze voor de gelegenheid van haar vaders bureau had gepakt. Het was een platte lat van ongeveer dertig centimeter, waarop de centimeters waren gemarkeerd. Haar vader gebruikte die om afstanden op landkaarten te bepalen als hij zich weer eens op een reis of een veldtocht voorbereidde. Ze bekeek de plattegrond van de bovenste kelderverdieping nauwkeurig. Het was één rechthoekige ruimte van dertig meter lang en tien meter breed. Aan het ene uiteinde stonden rekken voor de vaten wijn en de tonnen gedroogde groente en fruit. In de beide langere muren zaten een stuk of zes nissen. Het waren kleine, rechthoekige hokjes, en Maddie wist dat daar soms gevangenen werden opgesloten. In sommige kastelen noemden ze die kerkers en waren het slecht verlichte en stinkende hokken, waar het water langs de muren liep. Hier waren ze in elk geval schoon en droog. En momenteel waren ze geen van alle bezet. Ze legde haar schaalmeter langs de lange zijde van de kelder en keek hoe lang die was. De vijftien centimeter op haar meetlat kwam overeen met dertig meter muur. Ze onthield dat goed, rolde de tekening weer op, bond het lint er weer omheen en pakte de tekening van Kelder Niveau 2, de ruimte daar pal onder. Op het eerste gezicht was die onderste kelder precies hetzelfde als die erboven. Naarmate ze langer keek vielen haar echter een paar ongerijmdheden op. Langs de lange muren van de diepste kelder zag ze dezelfde nissen als erboven, die als cellen dienstdeden. Maar waar dat er op de hogere verdieping aan elke zijde zes waren, zag ze er in Kelder Niveau 2 aan elke kant maar vijf. Ze legde haar meetlat langs de lange muur en nam de lengte ervan op. Twaalf en een halve centimeter. Dat betekende dat de lange muur op de onderste verdieping maar vijfentwintig meter lang was, oftewel vijf meter korter dan die erboven. ‘Hoe is het mogelijk dat niemand dat ooit gezien heeft?’ mompelde ze verbaasd in zichzelf. Maar toen besefte ze dat de twee tekeningen op aparte stukken papier stonden. De kans was groot dat niemand ze ooit met elkaar had vergeleken of de lengte van de muren precies had gemeten. Of anders had men gewoon geaccepteerd dat de onderste kelder wat kleiner was dan die erboven. Het was voor haar ook alleen maar interessant omdat ze naar een geheime doorgang op zoek was. Maar nu ze dit wist diende zich natuurlijk de vraag aan waarom de ene kelderverdieping vijf meter korter dan de andere was. ‘Er is maar één manier om daarachter te komen,’ zei ze in zichzelf. Ze rolde de tweede tekening op, bond het lint er weer om en legde beide rollen terug op hun plek. Ze was vast van plan om nog naar de bibliotheek terug te komen, dus liet ze haar aantekeningen, haar pen en haar schaalmeter op de tafel liggen en haastte ze zich naar buiten. Ze overwoog Uldred nog even gedag te zeggen, maar liet het maar zo. Hij zou alleen maar vragen gaan stellen en ze wilde niet voor schut staan als bleek dat ze het helemaal bij het verkeerde eind had. Ze ging de trappen af naar de kelderverdiepingen onder de burchttoren. Er zaten op het ogenblik geen gevangenen in de cellen, dus er waren ook geen bewakers of andere mensen in de kelder aanwezig. Wel brandden er meer dan genoeg fakkels in nissen in de muur, en aan het lage plafond hingen ook nog drie lantaarns. Blijkbaar kwam er elke ochtend iemand van het personeel om al die verlichting aan te steken. Maddie wist al van eerdere bezoeken dat de kelder goed werd geventileerd en dat het er droog was. Er blies via een ventilatieschacht onafgebroken een zacht briesje door de ruimte, waardoor het er nooit muf of schimmelig ging ruiken. Ze liep naar het ene uiteinde van de zaal, drukte haar rug tegen de muur en liep met gelijkmatige passen naar de andere kant. Een van de dingen die ze in haar periode bij Will had geleerd was het lopend meten van afstanden. Ze kon heel nauwkeurig een heleboel precies even grote passen achter elkaar zetten, en ze wist uit ervaring dat twaalf van zulke passen precies tien meter waren. Ze telde hardop mee en nam zo de lengte van de ruimte op. ‘… vierendertig, vijfendertig… en een half,’ zei ze terwijl haar rechtervoet halverwege een pas tegen de muur aan kwam. Dat was wat haar betreft dicht genoeg bij zesendertig, wat overeenkwam met de dertig meter die ze op de tekening in de bibliotheek had opgemeten. Ze onderzocht de muur. Die bestond uit grote blokken zandsteen, die met cement bijeen werden gehouden. Ze klopte met het handvat van haar sax op verschillende stenen. Alles klonk even solide. ‘Hmm,’ mompelde ze terwijl ze nog een blik door de grote, rechthoekige ruimte wierp. Er was verder weinig opvallends te zien. De muren waren kaal. Met uitzondering van de wijnvaten en de tonnen met groente en fruit stond er verder niets in de ruimte. ‘Laten we maar eens beneden gaan kijken,’ zei ze zachtjes en ze liep naar de trap die nog verder naar beneden voerde. Kelder Niveau 2 was minder goed verlicht dan Niveau 1, en hier lagen ook geen vaten en tonnen met eten en drinken. Toch was het ook hier redelijk droog, hoewel het wel een klein beetje muf rook. Deze ruimte was wat minder goed geventileerd. Maddie nam even de tijd om de tamelijk duistere ruimte te bekijken. Hij zag er op het eerste gezicht precies zo uit als die erboven. Ze liep weer naar de verre muur, ging er met haar rug tegenaan staan en liep weer haar passen tellend naar de andere kant. Haar stem galmde tussen de stenen muren aan weerszijden van haar heen en weer. De open deuren van de cellen waren donkere gaten, alsof ze door vijf paar ogen werd gadegeslagen. ‘… achtentwintig, negenentwintig, dertig, eenend… en verder niet,’ zei ze op het moment dat ze de andere muur bereikte. Ze wreef even over haar kin. ‘Inderdaad zo ongeveer vijfentwintig meter,’ concludeerde ze. ‘In elk geval een stuk korter dan Kelder Niveau 1.’ Ze herhaalde haar meetoefening door haar passen de andere kant op ook te tellen. Opnieuw stootte ze in haar eenendertigste pas haar teen tegen de muur. Er was geen twijfel mogelijk. Deze ruimte was een meter of vijf korter dan die erboven. Maar waarom? Ze haalde een van de lantaarns van de muur en liep ermee naar een van de muren aan de korte kant. Ze onderzocht die nu tot in detail. Net als de muur erboven bestond deze uit zandstenen blokken. De mortel ertussen was oud, maar nog stevig. De jaren hadden er nog geen vat op gekregen. Ze schuifelde nauwkeurig onderzoekend centimeter voor centimeter langs de muur. Ze hield de lantaarn zo hoog mogelijk, zodat er zo veel mogelijk licht op de stenen viel. Maar hoe goed ze ook keek, ze zag geen enkele afwijking. Tot ze aan de onderkant van het laatste blok iets ongewoons zag. Ze boog zich voorover om er beter naar te kunnen kijken. Er stonden daar drie woorden opgeschreven – of eigenlijk stond er drie keer hetzelfde woord. Sinister. Sinister. Sinister. De letters waren maar klein. Ze waren in het gesteente gekrast, zo te zien met een puntig stuk gereedschap, en als ze er niet met haar neus bovenop was gaan staan, met de lantaarn erbij zodat het reliëf zichtbaar werd, had ze het zomaar over het hoofd kunnen zien. ‘Sinister,’ mompelde ze tegen zichzelf. Ze haalde haar schouders op. ‘Geen slechte omschrijving van het gevoel dat kerkers geven.’ Alleen had ze eerder al vastgesteld dat het woord nu juist niet erg op deze kelder van toepassing was. Het was hier tamelijk donker en het plafond was laag, dat klopte. Maar het was er droog, er leefde geen ongedierte en er hingen hier in tegenstelling tot in veel andere kerkers geen martelwerktuigen. Geen pijnbank. Geen kettingen of boeien te zien. Ze duwde de deur van de achterste cel open en ging naar binnen. Door de lantaarn zo hoog mogelijk te houden verspreidde het licht zich tot in de verste hoeken. De muren waren ruw, maar droog. Langs de lange muur stond een verweerd houten bed en in de met ijzer beslagen houten deur zat een klein raampje met tralies ervoor, waardoor er wel wat licht naar binnen viel. Het meubilair bestond verder uit een kruk en een houten tafeltje. En op dat tafeltje stond zelfs een oud, vergeeld stompje kaars. Luxueus was het beslist niet, besefte Maddie. Maar gevangenissen konden ook veel en veel slechter zijn. Het ergste dat ze van deze cel kon zeggen was dat het houten bed vast erg hard was om op te liggen. Maar sinister? Nee, dat niet. Ze verliet de cel weer en keek om zich heen, op zoek naar het antwoord op de vraag waarom iemand die woorden in de stenen muur had gekrast. En wie dat dan wel had gedaan. ‘Een gevangene?’ vroeg ze zich hardop af, maar dat idee verwierp ze meteen weer. De gevangenen zaten in hun cel. Als zij iets in een muur wilden krassen, deden ze dat daar. De bewakers zouden een gevangene nooit toestaan zijn cel te verlaten, dus gevangenen kónden het bijna niet gedaan hebben. Het was een raadsel waar ze niet zo makkelijk een antwoord op kon bedenken. ‘Laat het maar even,’ sprak ze zichzelf toe. Ze wist dat raadsels zich in het algemeen het beste lieten oplossen als je ze even liet sudderen. Maar hoe hard ze ook probeerde aan iets anders te denken, het raadsel kwam toch steeds weer bij haar op. Waarom stonden die woorden daar? En waarom was de ene ruimte vijf meter korter dan de andere? Zat er achter die stenen muur nog een kamer? En als dat zo was, hoe kwam je daar dan binnen? Ze bekeek de muur nog een keer nauwkeurig. Ze zag geen enkel spoor van een deur in de muur of van een ander soort opening. De stenen zaten stevig op elkaar gemetseld, zonder dat daar openingen in te vinden waren. Haar maag rammelde, wat haar eraan herinnerde dat het langzamerhand tijd werd om te gaan lunchen. ‘Met honger los je zo’n raadsel niet op,’ sprak ze zichzelf toe en ze liep weer naar boven, naar de eetzaal op de begane grond. ‘Met een stevige maaltijd achter de kiezen gaat het vast beter.’ Maar dat bleek niet het geval. Ze loste het probleem van de knorrende maag wel op, maar niet dat van de in de muur gekraste woorden. Na de lunch besloot ze dat ze wel even aan een andere omgeving toe was. Ze had Bumper al twee dagen niet gezien. Ze haalde haar spullen in de bibliotheek op en bedankte Uldred. ‘Geef je het op?’ informeerde hij glimlachend, hoewel er ook wel enige teleurstelling in zijn stem doorklonk. Ze schudde haar hoofd. ‘Even pauze. Ik heb frisse lucht nodig om beter te kunnen nadenken.’ Ze verliet de bibliotheek en liep naar de stal. Daar zadelde ze Zonnedanser op, stopte gauw een paar appels in de zadeltas en reed het kasteel uit. Niet veel later begroette Louise haar hartelijk op de boerderij. Warry was bezig op een van de akkers. Ze leidde Zonnedanser naar de schuur, zadelde hem af, roskamde hem even en gaf hem een appel. Daarna gooide ze het zadel bij Bumper op zijn rug. Ik vroeg me al af waar je gebleven was. ‘Sorry, ik had het druk.’ Tijdens de rit door de velden in de richting van de oude abdij was ze in gedachten verzonken. Ze onderzocht het gebouw nogmaals, maar zag opnieuw niets geks. Nadat ze nog een uurtje door de omgeving was gereden en ook daar niets interessants had ontdekt, keerde ze terug naar de schuur. Ze liep nog altijd te piekeren toen ze haar zadel weer van het ene paard op het andere bond en naar kasteel Araluen terugkeerde. Ze dacht er zelfs nog maar net op tijd aan om Louise gedag te zeggen. Met kletterende hoeven reed ze weer over de ophaalbrug, waar ze de wachters afwezig toeknikte. In de stal nam een van de jongens de teugels van Zonnedanser van haar over. ‘Laat mij het verder maar doen, vrouwe,’ zei hij vrolijk. Ze wilde tegen hem in gaan, maar liet het maar zo. Als prinses had je nu eenmaal het voordeel dat andere mensen dit soort handwerk soms van je overnamen. Ze liet Zonnedanser bij de staljongen achter en ging de trap op, naar haar eigen vertrek. Daar vroeg ze haar kamermeisje om een bad voor haar klaar te maken. Ze realiseerde zich heel goed dat ze dit, als ze nu op Redmont was geweest, zelf had moeten doen. Het deed haar weinig. ‘Ik heb er niet om gevraagd hier de hele zomer te moeten doorbrengen,’ zei ze zachtjes. ‘Laat ik er dan maar van profiteren ook.’ Haar schouders en haar nek voelden stijf, wat natuurlijk kwam door al die uren dat ze voorovergebogen over de bouwtekeningen had gezeten. Ze bleef zeker een halfuur in het dampend hete water liggen weken, tot ze merkte hoe de stijfheid langzaam uit haar spieren verdween en de ontspanning terugkeerde. Uiteindelijk klauterde ze er weer uit en sloeg ze een grote handdoek om haar lichaam. Een flink deel van het inmiddels lauwe badwater kwam daarbij op de tegels naast het bad terecht. Ze overwoog even de vloer te dweilen, maar schoot meteen in de lach. Normaal gesproken zou ze het wel hebben opgeruimd, maar hier was ze prinses en stonden bedienden klaar om aan al haar wensen te voldoen. Ter compensatie bood ze wel haar verontschuldigingen aan toen er een meisje kwam toegesneld om de vloer te drogen. ‘Het is geen enkele moeite, vrouwe,’ zei het meisje lachend. ‘Zie je wel?’ zei Maddie in zichzelf om haar schuldgevoel wat te temperen. ‘Ze wíl voor je zorgen.’ Ze at die avond vroeg, en alleen. Haar moeder was bezig met de voorbereiding van een officieel bezoek van de net aangestelde ambassadeur van Iberia, dat binnenkort op het programma stond. Maddie wilde haar daar niet bij storen. Dimon had – alweer – dienst, dus er was weinig gezelschap beschikbaar. Wat haar heel goed uitkwam, want dan kon ze in alle rust nadenken over het raadsel van die vijf meter en de ondoordringbaarheid van de zandstenen muur. Maar ze kwam geen stap verder, en dus besloot ze die avond maar eens vroeg naar bed te gaan. Het was een lange dag geweest, met al die tekeningen en metingen, haar onderzoek in de kelder en haar bezoek aan de boerderij van Warry en Louise en aan de oude abdij. Het was warm, maar onder haar dunne deken lag ze heerlijk. Ze liet een raam open, zodat de frisse lucht haar wat verkoeling zou bieden. Ze trok de deken wat verder omhoog en ze genoot van de weldadige rust. Ze strekte haar benen, gaapte een paar keer en liet haar ogen dichtvallen. Haar adem werd dieper en regelmatiger. Maar plotseling schoot ze omhoog en zat ze kaarsrecht in bed. ‘Sinister betekent links!’